maandag 6 februari 2012

Een sprookje...

Er was eens… een vrolijk onbezorgd meisje. Haar naam was Isabel. Ze leefde in een wereld vol liefde en geluk. Overal zag ze vrienden en mogelijkheden. En ze was nooit alleen.
Want op haar linkerschouder zat Bengeltje. Die fluisterde Isabel lieve en aardige dingen in. Over wat ze kon zeggen. Hoe ze vriendelijk kon zijn. Hoe ze aardig gevonden kon worden. Dat ze bepaalde dingen niet moest doen. Omdat ze dan misschien iemand zou kwetsen. En ze wou toch zelf ook niet gekwetst worden? Bengeltje had nog veel meer van dat soort lieve-aardige-leuke adviesjes. De hele dag kwaakte die Bengel erop los. En het ging goed met Isabel.
Maar op haar rechterschouder zat Bungel. Isabel noemde hem zo omdat ze niet zoveel met Bungel gemeen had. Hij ‘bungelde’ er maar een beetje bij. Alles wat Bengel voorstelde werd door Bungel de grond in getrapt, genegeerd of belachelijk gemaakt. Bungel had het niet zo op lief, leuk en aardig. Bungel was hard. Knetterhard.
Op een koude donderdagavond loopt Isabel door de stad. Het is koopavond. Dan vindt ze de stad op haar mooist met al die lichtjes en kleurtjes. Ze houdt van deze stad.
Als ze een grote winkel binnen wil gaan staat Isabel even stil in de heteluchtverwarming die gratis de straat op vliegt. Bengel verzucht “ooh, hier is het lekker, blijf even staan om warm te worden!” terwijl Bungel sist “wat ’n energieverspilling! Belachelijk!”. Hoofdschuddend en glimlachend tegelijk loopt ze verder. Dan loopt er een moeder met een nogal brede kinderwagen voor haar. Bengel zegt “Ach kijk, wat een lieve baby’s!” terwijl  ze in de kinderwagen gluurt. Bungel snauwt “Mens, sodemieter eens op met die bak! Hoppa, aan de kant. Die blagen van jou hadden al lang in bed moeten liggen.”
Isabel merkt meer en meer dat ze niet in balans is. Want Bungel krijgt de overhand. Hij schreeuwt harder dan Bengel. Bengel wordt stiller en stiller.
Isabel krijgt ook zelf de neiging om zich negatief uit te laten. Over van alles en nog wat. Over de euro. Over programma’s op tv. Over kinderen. Europa. De wereld. Het heelal. Waar ze ook maar een belachelijke bewoording van kan maken; ze zit er bovenop. Middelvingers schieten omhoog. Vingers wijzen naar haar voorhoofd. En daarbij spreekt Bungel slecht over Bengel. Alle remmingen leken weg bij Isabel. En terwijl Bungel al bozer en roder wordt, zit Bengel er maar witjes bij…
Isabel mist Bengel. Ze mist de liefde en tederheid. Ze merkt dat ze door Bungel wordt gemaakt tot een persoon die ze niet wil zijn. Bengel fluistert af en toe nog wat, maar over het algemeen is het stil…
En dan, ineens, is Isabel het zat. Ze kan er niet meer tegen. Het vreet haar op. Het kost haar meer en meer energie. En dat allemaal door die vervelende Bungel! Altijd dat gestuntel met andere mensen. Altijd negatief. Ze voelde steeds vaker hoe zwaar hij op haar schouder leunde. Hoe hij de overhand had bij haar woorden en beslissingen.
Uiteindelijk kwam Isabel tot de conclusie: de knop moest om. Die Bungel moest weg. Opzouten. Weg ermee. Het land uit. Of beter nog: de wereld uit.
“Ja maar” zo fluisterde Bengel, “die Bungel meent het niet zo…”
Waren dat nou de woorden van een softie? Een zacht ei? Nee, het waren de woorden uit een goed hart.. Wat een lieverd. Het hart van goud had gesproken.
Isabel dacht na en ze stuurde Bungel uiteindelijk op cursus naar zo’n ‘tsjakka’-goeroe. Daar kon hij op zoek naar evenwicht. Naar liefde en respect. Naar yin en yang. Positief zijn. Geluk zoeken en vasthouden.
En allemaal moesten ze vergeten en vergeven. En samen doorgaan. Sámen op weg naar een mooie zinvolle toekomst.
En het mooie van dit verhaaltje is natuurlijk: ze leefden nog lang en gelukkig!
De moraal van het verhaal: probeer het positieve in het leven te zoeken, te vinden en vast te houden. Het maakt alles zoveel gemakkelijker.
Was het een sprookje? Dat hoop ik niet.
Want ach, die Bengel…
Is soms nét een engel….

dinsdag 24 januari 2012

Hotel Mama...

Bij ons thuis komt en gaat iedereen wanneer ze maar willen. Wij noemen ons huis dan ook wel eens gekscherend ‘Hotel Mama’. Die reclamezuil heb ik overigens gestolen van mijn broer; onderstaande situatie schijnt namelijk bij meerdere gezinnen in onze familie voor te komen…

Onze kinderen zijn vaste stamgast in Hotel Mama en mogen er leven en genieten. Dat doen we zelf immers ook met volle teugen! En puilt soms de keuken uit van alle mee-eters, de volgende dag zitten we er met z’n tweetjes. De ene keer is ons hotel volgeboekt met logeetjes die allemaal willen mee-ontbijten, een andere keer is het er uitgestorven en blijf ik met de gebakken eieren zitten.

Toch zijn de wensen in Hotel Mama voor bijna alle gasten hetzelfde. Het hotel moet er netjes uitzien. De kleren moeten schoon in de kast liggen. Het eten moet op tijd op tafel staan.

En wat krijgen we ervoor terug? De gasten betalen allemaal slecht. En ze moeten altijd weten waar de waard uithangt. Mijn mobiel vergeten? Onmogelijk! Een hotel is nu eenmaal 24 uur per dag open en bereikbaar voor de gasten, is het niet?

In ons hotel ben ik de multifunctioneel inzetbare kracht. Ik ben de waard, de kok, de serveerster, het kamermeisje, de taxichauffeuse, de wasserette, de linnenkamer, de politieagente, de toiletjuffrouw en de receptioniste. Functies die ik overigens meestal probleemloos afwissel en combineer.

Op een doorsnee dag ren ik met de boodschappen in en uit ons hotel, voer ondertussen een gesprek aan de telefoon, begroet de hond, schop mijn hakken uit, pak alle boodschapjes weg, begin met het eten en zet de wasmachine tussendoor even snel aan. En ergens, tussen al die bezigheden verlies ik dan nog wel eens het overzicht. Zo heb ik een keer mijn portemonnee teruggevonden in de vriezer. Het gegiechel van de gasten over mijn warrigheid accepteer ik schaamteloos. Ze hebben gewoon geen idee waar ik mee bezig ben. Niet dat ik dat zelf wèl weet…

Toch vind ik het belangrijkste dat we ons allemaal goed voelen in Hotel Mama. En dat doen we.

Soms helpen onze dochters me ‘vrijwillig’ mee om deze goedlopende zaak te runnen. Maar net zo vaak moet ik ze lief-dwingend vragen of ze de handen even uit de mouwen willen steken. Voor wat hoort wat. De ene hand wast de andere. Je kent dat soort uitspraken wel.

En dan, heel soms, als ik dan heel druk ben geweest, kan ineens mijn positieve stemming omslaan. Als ik voor de zoveelste keer alle zooi loop op te ruimen. Alweer moet stofzuigen, potten moet uitsoppen en de was sta te strijken. Hallóóó?! Ben ik hier alleen of zo? Alsof ik niets anders en beters te doen heb!? Want naast Hotel Mama heb ik ook nog andere wél-betaalde buiten-hotelse-werkzaamheden!

En dat die stamgasten dan potverdorie maar een beetje lopen te flierefluiten en te lanterfanten. De student uithangen en daarbij van elke dag genieten… Schandelijk!

Nou ja… eigenlijk wel heerlijk hè? Volgens mij is de omslag van mijn stemming meestal te wijten aan jaloezie. Want wat zou ik dat nog graag willen. Af en toe. Uitslapen tot 3 uur ’s middags. Als de stofzuiger voorbij komt even de beentjes optillen. Vragen hoe laat we gaan eten. En als de tafel gedekt moet worden, eerst uitgebreid naar het toilet moeten. Moet de hond eruit? Maar ik moet nu weg, anders mis ik de trein…

Op dit moment kan ik me ons hotel nog niet voorstellen zonder stamgasten; toch zou ik tijdens die omslagmomenten Hotel Mama het liefste even sluiten. Laat me met rust! Doe het lekker zelf! Allemaal: opzouten!

Maar ho, mijn geliefde ‘medewerker van de Huishoudelijke Dienst’ moet dan natuurlijk wel blijven!

Om mij te vertroetelen als ik gastloos onderuitgezakt ga bankhangen.

(Gepubliceerd op Absolutely Enschede)

vrijdag 20 januari 2012

Rotzak...

Daar staat hij. Voor mijn deur. Ik heb zo’n vreselijke hekel aan hem! Dat komt omdat hij ook vreselijk ís. Een rotzak is het. Als hij bij me is merk ik dat andere mensen me mijden. Begrijpelijk. Niemand mag hem...
Maar ja, áls hij er eenmaal is kan niemand om hem heen. Ook ik niet. Daarbij komt dat hij meestal onaangekondigd arriveert. En dan is hij ook meteen zo nadrukkelijk aanwezig.
Dit keer heb ik hem eigenlijk wel zien aankomen. Ik had hem namelijk al lange tijd niet gezien. En dan kan ik hem een keer verwachten hè? Nou, daar gaan we…

Zonder twijfel klopt hij aan. Want de bel doet het niet. Ik negeer hem. Kijk snel de andere kant uit. Hoop dat hij verdwijnt. Nee, hij verdwijnt niet. Maar ik doe niet open. “Blijf waar je bent!” denk ik. En omdat ik hem niet wíl zien lijkt het even alsof hij toch het hazenpad gekozen heeft. Maar dan, als ik even de deur open een kier zet, is hij al naar binnen geslopen. Geruisloos staat ie voor mijn neus…

Het lijkt ook dit keer alsof ik niet aan zijn aanwezigheid kan ontkomen. Eigenlijk wil ik hem verbannen. Hem uit mijn leven houden. Voor eeuwig en altijd. Misschien dat er ooit een tijd komt…
Hij raakt me aan maar ik sla hem bij me weg. Ik kan hem nu niet gebruiken met zijn geëtter. Hij komt altijd op het moment dat ik geen tijd voor hem heb. En hij vraagt altijd zoveel tijd. En energie…  

Maar dan, ineens, heeft hij me helemaal in zijn greep. Een siddering gaat door mijn lijf. Hoe doet hij dat? En waarom moet hij mij hebben? Terwijl ik me uit alle macht probeer van hem los te trekken blijft hij aandringen. En of ik wil of niet, hij krijgt me zover. Met niet al te veel moeite sleept hij me mee naar mijn slaapkamer. Daar, in mijn bed, ben ik alleen met hem. En hij doet met me wat hij wil. Mijn lijf schreeuwt het uit maar mijn keel en lippen zijn droog. Ik zwijg…

Kotsmisselijk word ik van hem. Ja, soms kan hij vreselijk misselijkmakend zijn. Ik ben radeloos. Iedere poging om mijn bed te verlaten wordt door hem met een schijnbaar eenvoudige beweging afgestraft. Uiteindelijk heb ik helemaal geen kracht meer. Geef me helemaal aan hem over. O wat voel ik me een slappeling als hij bij me is. En zielig.

Maar niemand kan me helpen.
Hij is en blijft mijn probleem.
En nu heeft hij me helemaal...
De griep.

dinsdag 3 januari 2012

Schrobben!

Er zijn van die plaatsen in je huis die je gewoon wat vaker onder handen moet nemen. Hierbij denk ik vooral aan het kleinste kamertje. Al was het alleen maar om de voorraad toiletpapier aan te vullen. Maar toch ook om de spetters en de remsporen te verwijderen. Ik kan er moeilijk over lopen doen, maar het is de realiteit. Waar niet? Ik denk dat het overal wel zo is. De mensen hebben het er liever niet over. Ach, over het algemeen ben ik er rap klaar mee. Flink heet sopje, blik op oneindig, ademen door de mond en schrobben die handel. Toch heeft nog nooit iemand me een compliment gegeven over het toilet. Dat het zo fris ruikt. Of dat het er zo mooi schoon is. En als ik het zo bekijk is dat hele schoonmaakwerk eigenlijk een ondankbare klus. Een wekelijks terugkerend proces. En ik krijg er geen cent voor betaald. Maar nou dat hoeft ook niet hoor want ik doe het met alle liefde.
Dat geldt eigenlijk voor alle klusjes thuis. Door al die karweitjes kreeg ik overigens diep respect voor onze oude generatie. Die generatie van ‘toen er nog geen volautomatische wasmachine was’. Want laten we eerlijk wezen, wat zijn wij eigenlijk verwend! Onze oud-oma’s moesten alles met het handje wassen en spoelen. In een grote prehistorische teil stond de was toen boven het vuur te weken. Mijn moeder deed dat ook met onze bedsprei, maar dan op het gasfornuis. Ik weet nog dat ze er zo’n blauw balletje aan een touwtje bij in deed. Mijn vader noemde het een ‘hou-mie-blauw-zakje’. De zelfgebreide spreien waren daarna parelwit. Daar kan menig turbowasmiddel van tegenwoordig nog een wit puntje aan zuigen!
Vroeger was het wassen met een teiltje nog de gewoonste taak van de week. Toen werd alles, inclusief het ondergoed, op het wasbordje gewassen. Ik zie het voor me: met een borstel de bruine strepen en de harde stukjes eruit schrobben. En maandverband uitkoken. Die oma’s deden het vast met liefde. Dat moet wel. Anders waren ze allemaal gillend weggelopen. Want wat een rotklus!
Als ik nog denk aan de eerste vakantie met mijn man, dan lopen me nòg de rillingen over de rug. In die eerste vakantie heb ik af en toe een paar dingen met de hand moeten wassen. Ach, je bent jong, stapelverliefd en je wilt je van je beste kant laten zien. Een shirtje en een broekje, ik vond het zelfs wel wat hebben. Dat hing dan naast ons tentje aan een provisorisch waslijntje. En ik deed het met liefde. Maar ik heb er ook zijn stoffen zakdoeken gewassen. Geheel vrijwillig overigens. Daar stond ik. Op de camping. Met de allerbeste bedoelingen en met een emmertje vol snotlappen. Die ging ik wel eventjes wassen… met het handje. Het water was lauw en de zakdoeken bleven glibberen tussen mijn vingers. Echt gruwelijk!
Ach, “ik doe het echt met liefde” zei ik nog voor ik weg liep…
Tegenwoordig zorgt hij er voor dat hij genoeg zakdoeken meeneemt.
Voor zichzelf. En ook voor mij.
Met liefde…

gepubliceerd op http://www.absolutelyenschede.nl/

woensdag 28 december 2011

Burgerlijk...


Ik hou van burgerlijkheid. Het geeft me een warm gevoel. Het is het fleecedekentje als je je wilt nestelen op de bank. Het kopje warme chocomelk als je van de ijsbaan komt. Het koekje bij de thee. De kers op de taart…
Bij burgerlijkheid voel ik geluk. Het maakt me vrolijk en blij. Ik probeer meestal van elke dag een klein feestje te maken. En naar eer en geweten probeer ik om de mensen om me heen te plezieren. Om samen de wereld toch een beetje mooier te maken. Nee, dat lukt me niet altijd. Maar mijn burgerlijke plicht roept me op het elke dag weer te proberen.
Mijn leventje is echt heel normaal. Gewoon burgerlijk dus. We gourmetten bijvoorbeeld altijd met Kerst. Andere mensen hoor ik complete maaltijden van vijf gangen op tafel zetten. Bewondering heb ik ervoor. Maar nu is het koken niet zo’n hele favoriete bezigheid van me en waarom moeilijk doen als het gemakkelijk kan? Alleen daarom al laat ik me ieder jaar meeslepen met de gourmet-wens. Want wie ben ik om hun en mijn plezier te bederven? Ik vind het best. Ik vind trouwens alles best zolang iedereen om me heen maar geniet. Ik geniet wel mee.
Maar van mensen die burgerlijk ongehoorzaam zijn kan ik heel dwars worden. Fietsers zonder licht of zij die geen hand uitsteken. Of mensen die met een mobieltje aan het oor chauffeuren. M’n haren gaan ervan overeind staan. Soms tel ik ze ’s morgens als ik naar mijn werk rij. Niet dat het wat uitmaakt, want als ik op het werk ben weet ik al niet meer hoeveel overtredingen ik heb geteld. Maar ik tel ze wel. Het gaat om het idee he? En weet je wat? Er zijn steeds meer burgerlijk ongehoorzame mensen. Foei toch…
Onlangs hoorde ik dat het toppunt van burgerlijkheid wel ‘het hebben van dezelfde fietsen’ is. Nou ja zeg! Dusss… Oké… Mijn man en ik hebben niet geheel toevallig ook dezelfde fietsen… Maar we vonden het wel grappig toen we ze kochten! Ach, om er nog maar een schepje bij bovenop te doen, wij hebben ook nog eens dezelfde jassen… We zijn niet zo ‘van het fietsen’ maar we voelen ons wel één als we op pad gaan. En we hebben er ook nog eens lol in dat we dezelfde jas hebben. En dan gaat onze hond in de burgerlijke fietskar met ons mee. Want je kunt van het beest niet verwachten dat hij alle afstanden maar kan mee rennen. Zo’n fietskar is echt geweldig! Maar hij is vast té burgerlijk voor woorden…

burgerlijk tuinkabouter

Oh jee, ik bedenk me net dat we een tuinkabouter hebben. Die hebben we Pim genoemd. Zo’n lelijke plasticdwerg met een vlindernetje. Ooit gekregen op een verjaardag en hij is alle keren met ons meeverhuisd. Samen met de betonnen kikker en gans. En we gingen jaren achter elkaar met de kinderen naar dezelfde camping. Natuurlijk mét de burgerlijke caravan. Ach, en met Koninginnedag vlaggen we. En we wonen al ons hele leven in het mooie Enschede. Want daar voelen we ons thuis… O sorry, heeft er daar iemand een emmer nodig?
Nou, het maakt me geen donder uit! Voor wie het vreselijk vindt; vind het maar vreselijk. Noem het burgerlijk. Ik ben ‘gewoon’ gewoon.
Pootjes in de klei en niet lullen maar poetsen. Ik geniet van mijn gezin en het thuis zijn. Dan kan ik me weer lekker inwikkelen in mijn eigen fleecedekentje op mijn eigen bank. Ik hou zelfs voldoende tijd over voor niet-burgerlijke dingen.
En, één ding is zeker, we hebben allemaal een burgerlijke staat.
Dus… wat kan mij het schelen…..
lang leve de Burgerlijkheid!

geplaatst op http://www.absolutelyenschede.nl/

donderdag 15 december 2011

Nostalgie

Deze week was ik zo slim om de sleutel in mijn auto te laten zitten en vervolgens de deur dicht te gooien. Excuus: het regende verschrikkelijk afschuwelijk vreselijk erg! Daardoor was ik meer bezig met mijn paraplu en alle tassen die ik had meegesleept, dan met de autosleutel.
Jaaa, ik wéét het. Dom, dom, dom... 

Door deze ochtendmisser was ik ’s middags gedwongen het openbaar vervoer te gebruiken. Spannend! Want op dat gebied ben ik een leek maar de chauffeur wist gelukkig van de hoed en de (stoep)rand. Hij begon al gelijk goed met “heeft u geen OV-chipkaart?”. Toe maar, wrijf het er maar in. Ik had de bus al lang geleden vaarwel gezegd. Nee, zo'n kaart heb ik niet. “Nou, dat wordt een duur ritje mevrouw.” Fijn, dat kon er ook nog wel bij. Mevrouw... Make my day!
Tuurlijk zat ik ooit eerder in de bus. Maar dat is echt lang geleden. Vijfenveertig minuten naar de vele verschillende mensen kijken. Met de auto is het slechts een kwartier in één rechte lijn met knetterharde muziek en natuurlijk keihard meelallen.

Wegwezen. Karren met die hap. Mag ik rap betalen? Hoeveel? "Dat is dan twee euro twintig." En fijntjes legde de chauffeur me uit, terwijl hij professioneel het vervoersbewijs afscheurde en stempelde, dat dit bewijs geldig was tot aan het Centraal Station. Daar moest ik overstappen en (dus?) opnieuw een kaartje kopen voor twee euro twintig. Goed geregeld hoor dat openbare busvervoer! Voor dat geld koop ik twee liter benzine en kan ik op en neer naar mijn werk!
Oké, ik zal er niet over zeuren want mijn opties waren uiteindelijk beperkt.
Als een mak lammetje heb ik me weer laten vervoeren. Door wijken waar ik niet moest zijn. En verbaasd over de brutaliteit van sommige passagiers. Respect voor de buschauffeur!

Er was eigenlijk niet veel verschil met ‘vroeger’. De één babbelt wat met de ander. Weer een ander kijkt slechts zwijgend naar buiten. Die zijn wel het leukst om te bekijken. Hun ogen flitsen supersnel van links naar rechts. Ik vind dat leuk: mensen kijken. De lichaamstaal bestuderen. Kleertjes kijken. Van slons tot modepopje, alles komt voorbij.

En wat ik me nog het beste van alle ritjes kon herinneren was… die geur in de bus…
Een mengelmoes van rokerige kleren, hele slechte adem, natte hond en mandarijntjes.
Gelijk bij het instappen rook ik het ook nu weer.
Nostalgeur…
Gatverdamme!

Lang leve mijn welriekende 19 jaar oude gebakje.
Mèt reservesleutel...

vrijdag 9 december 2011

etenstijd!

Vorige week zag ik op tv een negenjarige opdonder een maaltijd bereiden. Een vis op de graat. Sausje. Asperges. Witlofjes. Wéét ik wat nog meer. In drie woorden: ge-wel-dig... Het water liep me in de mond. Verbazing alom. Negen jaar en op weg om een top chef-kok te worden.
Bij onze dochters, die de negenjarige leeftijd inmiddels lang achter zich gelaten hebben, ben ik klaarblijkelijk tekort geschoten. Verder dan een pizza, patat, een bak kant-en-klare lasagne of een gebakken ei komen ze niet. Ze overleven nog nèt het weekeind als we er niet zijn.
Ik kreeg medelijden met de meiden. En bovenal: twijfels aan mezelf. Wat doe ik nou fout?
En in de loop van de week begon het toch te jeuken. En eureka! Ineens wist ik het!
Het tv-kokkie-in-spe stond namelijk welgeteld een uur aan één bordje te werken. Een uur! Pareltjes zweet op het voorhoofd. Schaaltje zus, schaaltje zo. Culinair hoogst verantwoord.
Nee, dan die van ons. Die komen thuis, smijten de tas in de hoek en roepen "VOERRR!" of "HONGERRR!". Vanaf dat moment moet het eten binnen 15 minuten bij ons op tafel staan, anders grijpen ze naar andere maagvulling. En dan willen ze geen visje op de graat, maar een flinke pan vol met mama's machtige brouwsels. Ach ja,... bij ons gaat ook nog heel niet-culinair en ouderwets de pan op tafel.
Ik voorspel dat onze dochters geen echte keukenprinsesjes worden. Ze gaan liever sporten of zijn bij vrienden aan het 'chillen'. Ik zal ze toch eens wat vaker proberen te betrekken bij het wel en wee van een sudderend stukje koeienvlees. Maar of ik ze daar een uur lang mee kan boeien? Het kerstdiner is nog nét vol te houden...