dinsdag 24 januari 2012

Hotel Mama...

Bij ons thuis komt en gaat iedereen wanneer ze maar willen. Wij noemen ons huis dan ook wel eens gekscherend ‘Hotel Mama’. Die reclamezuil heb ik overigens gestolen van mijn broer; onderstaande situatie schijnt namelijk bij meerdere gezinnen in onze familie voor te komen…

Onze kinderen zijn vaste stamgast in Hotel Mama en mogen er leven en genieten. Dat doen we zelf immers ook met volle teugen! En puilt soms de keuken uit van alle mee-eters, de volgende dag zitten we er met z’n tweetjes. De ene keer is ons hotel volgeboekt met logeetjes die allemaal willen mee-ontbijten, een andere keer is het er uitgestorven en blijf ik met de gebakken eieren zitten.

Toch zijn de wensen in Hotel Mama voor bijna alle gasten hetzelfde. Het hotel moet er netjes uitzien. De kleren moeten schoon in de kast liggen. Het eten moet op tijd op tafel staan.

En wat krijgen we ervoor terug? De gasten betalen allemaal slecht. En ze moeten altijd weten waar de waard uithangt. Mijn mobiel vergeten? Onmogelijk! Een hotel is nu eenmaal 24 uur per dag open en bereikbaar voor de gasten, is het niet?

In ons hotel ben ik de multifunctioneel inzetbare kracht. Ik ben de waard, de kok, de serveerster, het kamermeisje, de taxichauffeuse, de wasserette, de linnenkamer, de politieagente, de toiletjuffrouw en de receptioniste. Functies die ik overigens meestal probleemloos afwissel en combineer.

Op een doorsnee dag ren ik met de boodschappen in en uit ons hotel, voer ondertussen een gesprek aan de telefoon, begroet de hond, schop mijn hakken uit, pak alle boodschapjes weg, begin met het eten en zet de wasmachine tussendoor even snel aan. En ergens, tussen al die bezigheden verlies ik dan nog wel eens het overzicht. Zo heb ik een keer mijn portemonnee teruggevonden in de vriezer. Het gegiechel van de gasten over mijn warrigheid accepteer ik schaamteloos. Ze hebben gewoon geen idee waar ik mee bezig ben. Niet dat ik dat zelf wèl weet…

Toch vind ik het belangrijkste dat we ons allemaal goed voelen in Hotel Mama. En dat doen we.

Soms helpen onze dochters me ‘vrijwillig’ mee om deze goedlopende zaak te runnen. Maar net zo vaak moet ik ze lief-dwingend vragen of ze de handen even uit de mouwen willen steken. Voor wat hoort wat. De ene hand wast de andere. Je kent dat soort uitspraken wel.

En dan, heel soms, als ik dan heel druk ben geweest, kan ineens mijn positieve stemming omslaan. Als ik voor de zoveelste keer alle zooi loop op te ruimen. Alweer moet stofzuigen, potten moet uitsoppen en de was sta te strijken. Hallóóó?! Ben ik hier alleen of zo? Alsof ik niets anders en beters te doen heb!? Want naast Hotel Mama heb ik ook nog andere wel-betaalde buiten-hotelse-werkzaamheden!

En dat die stamgasten dan potverdorie maar een beetje lopen te flierefluiten en te lanterfanten. De student uithangen en daarbij van elke dag genieten… Schandelijk!

Nou ja… eigenlijk wel heerlijk hè? Volgens mij is de omslag van mijn stemming meestal te wijten aan jaloezie. Want wat zou ik dat nog graag willen. Af en toe. Uitslapen tot 3 uur ’s middags. Als de stofzuiger voorbij komt even de beentjes optillen. Vragen hoe laat we gaan eten. En als de tafel gedekt moet worden, eerst uitgebreid naar het toilet moeten. Moet de hond eruit? Maar ik moet nu weg, anders mis ik de trein…

Op dit moment kan ik me ons hotel nog niet voorstellen zonder stamgasten; toch zou ik tijdens die omslagmomenten Hotel Mama het liefste even sluiten. Laat me met rust! Doe het lekker zelf! Allemaal: opzouten!

Maar ho, mijn geliefde ‘medewerker van de Huishoudelijke Dienst’ moet dan natuurlijk wel blijven!

Om mij te vertroetelen als ik gastloos onderuitgezakt ga bankhangen.

( Gepubliceerd op Absolutely Enschede)

vrijdag 20 januari 2012

Rotzak...

Daar staat hij. Voor mijn deur. Ik heb zo’n vreselijke hekel aan hem! Dat komt omdat hij ook vreselijk ís. Een rotzak is het. Als hij bij me is merk ik dat andere mensen me mijden. Begrijpelijk. Niemand mag hem...
Maar ja, áls hij er eenmaal is kan niemand om hem heen. Ook ik niet. Daarbij komt dat hij meestal onaangekondigd arriveert. En dan is hij ook meteen zo nadrukkelijk aanwezig.
Dit keer heb ik hem eigenlijk wel zien aankomen. Ik had hem namelijk al lange tijd niet gezien. En dan kan ik hem een keer verwachten hè? Nou, daar gaan we…

Zonder twijfel klopt hij aan. Want de bel doet het niet. Ik negeer hem. Kijk snel de andere kant uit. Hoop dat hij verdwijnt. Nee, hij verdwijnt niet. Maar ik doe niet open. “Blijf waar je bent!” denk ik. En omdat ik hem niet wíl zien lijkt het even alsof hij toch het hazenpad gekozen heeft. Maar dan, als ik even de deur open een kier zet, is hij al naar binnen geslopen. Geruisloos staat ie voor mijn neus…

Het lijkt ook dit keer alsof ik niet aan zijn aanwezigheid kan ontkomen. Eigenlijk wil ik hem verbannen. Hem uit mijn leven houden. Voor eeuwig en altijd. Misschien dat er ooit een tijd komt…
Hij raakt me aan maar ik sla hem bij me weg. Ik kan hem nu niet gebruiken met zijn geëtter. Hij komt altijd op het moment dat ik geen tijd voor hem heb. En hij vraagt altijd zoveel tijd. En energie…  

Maar dan, ineens, heeft hij me helemaal in zijn greep. Een siddering gaat door mijn lijf. Hoe doet hij dat? En waarom moet hij mij hebben? Terwijl ik me uit alle macht probeer van hem los te trekken blijft hij aandringen. En of ik wil of niet, hij krijgt me zover. Met niet al te veel moeite sleept hij me mee naar mijn slaapkamer. Daar, in mijn bed, ben ik alleen met hem. En hij doet met me wat hij wil. Mijn lijf schreeuwt het uit maar mijn keel en lippen zijn droog. Ik zwijg…

Kotsmisselijk word ik van hem. Ja, soms kan hij vreselijk misselijkmakend zijn. Ik ben radeloos. Iedere poging om mijn bed te verlaten wordt door hem met een schijnbaar eenvoudige beweging afgestraft. Uiteindelijk heb ik helemaal geen kracht meer. Geef me helemaal aan hem over. O wat voel ik me een slappeling als hij bij me is. En zielig.

Maar niemand kan me helpen.
Hij is en blijft mijn probleem.
En nu heeft hij me helemaal...
De griep.

dinsdag 3 januari 2012

Schrobben!

Er zijn van die plaatsen in je huis die je gewoon wat vaker onder handen moet nemen. Hierbij denk ik vooral aan het kleinste kamertje. Al was het alleen maar om de voorraad toiletpapier aan te vullen. Maar toch ook om de spetters en de remsporen te verwijderen. Ik kan er moeilijk over lopen doen, maar het is de realiteit. Waar niet? Ik denk dat het overal wel zo is. De mensen hebben het er liever niet over. Ach, over het algemeen ben ik er rap klaar mee. Flink heet sopje, blik op oneindig, ademen door de mond en schrobben die handel. Toch heeft nog nooit iemand me een compliment gegeven over het toilet. Dat het zo fris ruikt. Of dat het er zo mooi schoon is. En als ik het zo bekijk is dat hele schoonmaakwerk eigenlijk een ondankbare klus. Een wekelijks terugkerend proces. En ik krijg er geen cent voor betaald. Maar nou dat hoeft ook niet hoor want ik doe het met alle liefde.
Dat geldt eigenlijk voor alle klusjes thuis. Door al die karweitjes kreeg ik overigens diep respect voor onze oude generatie. Die generatie van ‘toen er nog geen volautomatische wasmachine was’. Want laten we eerlijk wezen, wat zijn wij eigenlijk verwend! Onze oud-oma’s moesten alles met het handje wassen en spoelen. In een grote prehistorische teil stond de was toen boven het vuur te weken. Mijn moeder deed dat ook met onze bedsprei, maar dan op het gasfornuis. Ik weet nog dat ze er zo’n blauw balletje aan een touwtje bij in deed. Mijn vader noemde het een ‘hou-mie-blauw-zakje’. De zelfgebreide spreien waren daarna parelwit. Daar kan menig turbowasmiddel van tegenwoordig nog een wit puntje aan zuigen!
Vroeger was het wassen met een teiltje nog de gewoonste taak van de week. Toen werd alles, inclusief het ondergoed, op het wasbordje gewassen. Ik zie het voor me: met een borstel de bruine strepen en de harde stukjes eruit schrobben. En maandverband uitkoken. Die oma’s deden het vast met liefde. Dat moet wel. Anders waren ze allemaal gillend weggelopen. Want wat een rotklus!
Als ik nog denk aan de eerste vakantie met mijn man, dan lopen me nòg de rillingen over de rug. In die eerste vakantie heb ik af en toe een paar dingen met de hand moeten wassen. Ach, je bent jong, stapelverliefd en je wilt je van je beste kant laten zien. Een shirtje en een broekje, ik vond het zelfs wel wat hebben. Dat hing dan naast ons tentje aan een provisorisch waslijntje. En ik deed het met liefde. Maar ik heb er ook zijn stoffen zakdoeken gewassen. Geheel vrijwillig overigens. Daar stond ik. Op de camping. Met de allerbeste bedoelingen en met een emmertje vol snotlappen. Die ging ik wel eventjes wassen… met het handje. Het water was lauw en de zakdoeken bleven glibberen tussen mijn vingers. Echt gruwelijk!
Ach, “ik doe het echt met liefde” zei ik nog voor ik weg liep…
Tegenwoordig zorgt hij er voor dat hij genoeg zakdoeken meeneemt.
Voor zichzelf. En ook voor mij.
Met liefde…

gepubliceerd op http://www.absolutelyenschede.nl/