Bij ons thuis komt en gaat iedereen wanneer ze maar willen. Wij noemen ons huis dan ook wel eens gekscherend ‘Hotel Mama’. Die reclamezuil heb ik overigens gestolen van mijn broer; onderstaande situatie schijnt namelijk bij meerdere gezinnen in onze familie voor te komen…
Onze kinderen zijn vaste stamgast in Hotel Mama en mogen er leven en genieten. Dat doen we zelf immers ook met volle teugen! En puilt soms de keuken uit van alle mee-eters, de volgende dag zitten we er met z’n tweetjes. De ene keer is ons hotel volgeboekt met logeetjes die allemaal willen mee-ontbijten, een andere keer is het er uitgestorven en blijf ik met de gebakken eieren zitten.
Toch zijn de wensen in Hotel Mama voor bijna alle gasten hetzelfde. Het hotel moet er netjes uitzien. De kleren moeten schoon in de kast liggen. Het eten moet op tijd op tafel staan.
En wat krijgen we ervoor terug? De gasten betalen allemaal slecht. En ze moeten altijd weten waar de waard uithangt. Mijn mobiel vergeten? Onmogelijk! Een hotel is nu eenmaal 24 uur per dag open en bereikbaar voor de gasten, is het niet?
In ons hotel ben ik de multifunctioneel inzetbare kracht. Ik ben de waard, de kok, de serveerster, het kamermeisje, de taxichauffeuse, de wasserette, de linnenkamer, de politieagente, de toiletjuffrouw en de receptioniste. Functies die ik overigens meestal probleemloos afwissel en combineer.
Op een doorsnee dag ren ik met de boodschappen in en uit ons hotel, voer ondertussen een gesprek aan de telefoon, begroet de hond, schop mijn hakken uit, pak alle boodschapjes weg, begin met het eten en zet de wasmachine tussendoor even snel aan. En ergens, tussen al die bezigheden verlies ik dan nog wel eens het overzicht. Zo heb ik een keer mijn portemonnee teruggevonden in de vriezer. Het gegiechel van de gasten over mijn warrigheid accepteer ik schaamteloos. Ze hebben gewoon geen idee waar ik mee bezig ben. Niet dat ik dat zelf wèl weet…
Toch vind ik het belangrijkste dat we ons allemaal goed voelen in Hotel Mama. En dat doen we.
Soms helpen onze dochters me ‘vrijwillig’ mee om deze goedlopende zaak te runnen. Maar net zo vaak moet ik ze lief-dwingend vragen of ze de handen even uit de mouwen willen steken. Voor wat hoort wat. De ene hand wast de andere. Je kent dat soort uitspraken wel.
En dan, heel soms, als ik dan heel druk ben geweest, kan ineens mijn positieve stemming omslaan. Als ik voor de zoveelste keer alle zooi loop op te ruimen. Alweer moet stofzuigen, potten moet uitsoppen en de was sta te strijken. Hallóóó?! Ben ik hier alleen of zo? Alsof ik niets anders en beters te doen heb!? Want naast Hotel Mama heb ik ook nog andere wél-betaalde buiten-hotelse-werkzaamheden!
En dat die stamgasten dan potverdorie maar een beetje lopen te flierefluiten en te lanterfanten. De student uithangen en daarbij van elke dag genieten… Schandelijk!
Nou ja… eigenlijk wel heerlijk hè? Volgens mij is de omslag van mijn stemming meestal te wijten aan jaloezie. Want wat zou ik dat nog graag willen. Af en toe. Uitslapen tot 3 uur ’s middags. Als de stofzuiger voorbij komt even de beentjes optillen. Vragen hoe laat we gaan eten. En als de tafel gedekt moet worden, eerst uitgebreid naar het toilet moeten. Moet de hond eruit? Maar ik moet nu weg, anders mis ik de trein…
Op dit moment kan ik me ons hotel nog niet voorstellen zonder stamgasten; toch zou ik tijdens die omslagmomenten Hotel Mama het liefste even sluiten. Laat me met rust! Doe het lekker zelf! Allemaal: opzouten!
Maar ho, mijn geliefde ‘medewerker van de Huishoudelijke Dienst’ moet dan natuurlijk wel blijven!
Om mij te vertroetelen als ik gastloos onderuitgezakt ga bankhangen.
(Gepubliceerd op Absolutely Enschede)
dinsdag 24 januari 2012
vrijdag 20 januari 2012
Rotzak...
Daar staat hij. Voor mijn deur. Ik heb zo’n vreselijke hekel aan hem! Dat komt omdat hij ook vreselijk ís. Een rotzak is het. Als hij bij me is merk ik dat andere mensen me mijden. Begrijpelijk. Niemand mag hem...
Maar ja, áls hij er eenmaal is kan niemand om hem heen. Ook ik niet. Daarbij komt dat hij meestal onaangekondigd arriveert. En dan is hij ook meteen zo nadrukkelijk aanwezig.
Dit keer heb ik hem eigenlijk wel zien aankomen. Ik had hem namelijk al lange tijd niet gezien. En dan kan ik hem een keer verwachten hè? Nou, daar gaan we…
Zonder twijfel klopt hij aan. Want de bel doet het niet. Ik negeer hem. Kijk snel de andere kant uit. Hoop dat hij verdwijnt. Nee, hij verdwijnt niet. Maar ik doe niet open. “Blijf waar je bent!” denk ik. En omdat ik hem niet wíl zien lijkt het even alsof hij toch het hazenpad gekozen heeft. Maar dan, als ik even de deur open een kier zet, is hij al naar binnen geslopen. Geruisloos staat ie voor mijn neus…
Het lijkt ook dit keer alsof ik niet aan zijn aanwezigheid kan ontkomen. Eigenlijk wil ik hem verbannen. Hem uit mijn leven houden. Voor eeuwig en altijd. Misschien dat er ooit een tijd komt…
Hij raakt me aan maar ik sla hem bij me weg. Ik kan hem nu niet gebruiken met zijn geëtter. Hij komt altijd op het moment dat ik geen tijd voor hem heb. En hij vraagt altijd zoveel tijd. En energie…
Maar dan, ineens, heeft hij me helemaal in zijn greep. Een siddering gaat door mijn lijf. Hoe doet hij dat? En waarom moet hij mij hebben? Terwijl ik me uit alle macht probeer van hem los te trekken blijft hij aandringen. En of ik wil of niet, hij krijgt me zover. Met niet al te veel moeite sleept hij me mee naar mijn slaapkamer. Daar, in mijn bed, ben ik alleen met hem. En hij doet met me wat hij wil. Mijn lijf schreeuwt het uit maar mijn keel en lippen zijn droog. Ik zwijg…
Kotsmisselijk word ik van hem. Ja, soms kan hij vreselijk misselijkmakend zijn. Ik ben radeloos. Iedere poging om mijn bed te verlaten wordt door hem met een schijnbaar eenvoudige beweging afgestraft. Uiteindelijk heb ik helemaal geen kracht meer. Geef me helemaal aan hem over. O wat voel ik me een slappeling als hij bij me is. En zielig.
Maar niemand kan me helpen.
Hij is en blijft mijn probleem.
En nu heeft hij me helemaal...
De griep.
dinsdag 3 januari 2012
Schrobben!
Er zijn van die plaatsen in je huis die je gewoon wat vaker onder handen moet nemen. Hierbij denk ik vooral aan het kleinste kamertje. Al was het alleen maar om de voorraad toiletpapier aan te vullen. Maar toch ook om de spetters en de remsporen te verwijderen. Ik kan er moeilijk over lopen doen, maar het is de realiteit. Waar niet? Ik denk dat het overal wel zo is. De mensen hebben het er liever niet over. Ach, over het algemeen ben ik er rap klaar mee. Flink heet sopje, blik op oneindig, ademen door de mond en schrobben die handel. Toch heeft nog nooit iemand me een compliment gegeven over het toilet. Dat het zo fris ruikt. Of dat het er zo mooi schoon is. En als ik het zo bekijk is dat hele schoonmaakwerk eigenlijk een ondankbare klus. Een wekelijks terugkerend proces. En ik krijg er geen cent voor betaald. Maar nou dat hoeft ook niet hoor want ik doe het met alle liefde.
Dat geldt eigenlijk voor alle klusjes thuis. Door al die karweitjes kreeg ik overigens diep respect voor onze oude generatie. Die generatie van ‘toen er nog geen volautomatische wasmachine was’. Want laten we eerlijk wezen, wat zijn wij eigenlijk verwend! Onze oud-oma’s moesten alles met het handje wassen en spoelen. In een grote prehistorische teil stond de was toen boven het vuur te weken. Mijn moeder deed dat ook met onze bedsprei, maar dan op het gasfornuis. Ik weet nog dat ze er zo’n blauw balletje aan een touwtje bij in deed. Mijn vader noemde het een ‘hou-mie-blauw-zakje’. De zelfgebreide spreien waren daarna parelwit. Daar kan menig turbowasmiddel van tegenwoordig nog een wit puntje aan zuigen!
Vroeger was het wassen met een teiltje nog de gewoonste taak van de week. Toen werd alles, inclusief het ondergoed, op het wasbordje gewassen. Ik zie het voor me: met een borstel de bruine strepen en de harde stukjes eruit schrobben. En maandverband uitkoken. Die oma’s deden het vast met liefde. Dat moet wel. Anders waren ze allemaal gillend weggelopen. Want wat een rotklus!
Als ik nog denk aan de eerste vakantie met mijn man, dan lopen me nòg de rillingen over de rug. In die eerste vakantie heb ik af en toe een paar dingen met de hand moeten wassen. Ach, je bent jong, stapelverliefd en je wilt je van je beste kant laten zien. Een shirtje en een broekje, ik vond het zelfs wel wat hebben. Dat hing dan naast ons tentje aan een provisorisch waslijntje. En ik deed het met liefde. Maar ik heb er ook zijn stoffen zakdoeken gewassen. Geheel vrijwillig overigens. Daar stond ik. Op de camping. Met de allerbeste bedoelingen en met een emmertje vol snotlappen. Die ging ik wel eventjes wassen… met het handje. Het water was lauw en de zakdoeken bleven glibberen tussen mijn vingers. Echt gruwelijk!
Ach, “ik doe het echt met liefde” zei ik nog voor ik weg liep…
Tegenwoordig zorgt hij er voor dat hij genoeg zakdoeken meeneemt.
Voor zichzelf. En ook voor mij.
Met liefde…
gepubliceerd op http://www.absolutelyenschede.nl/
Dat geldt eigenlijk voor alle klusjes thuis. Door al die karweitjes kreeg ik overigens diep respect voor onze oude generatie. Die generatie van ‘toen er nog geen volautomatische wasmachine was’. Want laten we eerlijk wezen, wat zijn wij eigenlijk verwend! Onze oud-oma’s moesten alles met het handje wassen en spoelen. In een grote prehistorische teil stond de was toen boven het vuur te weken. Mijn moeder deed dat ook met onze bedsprei, maar dan op het gasfornuis. Ik weet nog dat ze er zo’n blauw balletje aan een touwtje bij in deed. Mijn vader noemde het een ‘hou-mie-blauw-zakje’. De zelfgebreide spreien waren daarna parelwit. Daar kan menig turbowasmiddel van tegenwoordig nog een wit puntje aan zuigen!
Vroeger was het wassen met een teiltje nog de gewoonste taak van de week. Toen werd alles, inclusief het ondergoed, op het wasbordje gewassen. Ik zie het voor me: met een borstel de bruine strepen en de harde stukjes eruit schrobben. En maandverband uitkoken. Die oma’s deden het vast met liefde. Dat moet wel. Anders waren ze allemaal gillend weggelopen. Want wat een rotklus!
Als ik nog denk aan de eerste vakantie met mijn man, dan lopen me nòg de rillingen over de rug. In die eerste vakantie heb ik af en toe een paar dingen met de hand moeten wassen. Ach, je bent jong, stapelverliefd en je wilt je van je beste kant laten zien. Een shirtje en een broekje, ik vond het zelfs wel wat hebben. Dat hing dan naast ons tentje aan een provisorisch waslijntje. En ik deed het met liefde. Maar ik heb er ook zijn stoffen zakdoeken gewassen. Geheel vrijwillig overigens. Daar stond ik. Op de camping. Met de allerbeste bedoelingen en met een emmertje vol snotlappen. Die ging ik wel eventjes wassen… met het handje. Het water was lauw en de zakdoeken bleven glibberen tussen mijn vingers. Echt gruwelijk!
Ach, “ik doe het echt met liefde” zei ik nog voor ik weg liep…
Tegenwoordig zorgt hij er voor dat hij genoeg zakdoeken meeneemt.
Voor zichzelf. En ook voor mij.
Met liefde…
gepubliceerd op http://www.absolutelyenschede.nl/
woensdag 28 december 2011
Burgerlijk...
Ik hou van burgerlijkheid. Het geeft me een warm gevoel. Het is het fleecedekentje als je je wilt nestelen op de bank. Het kopje warme chocomelk als je van de ijsbaan komt. Het koekje bij de thee. De kers op de taart…
Bij burgerlijkheid voel ik geluk. Het maakt me vrolijk en blij. Ik probeer meestal van elke dag een klein feestje te maken. En naar eer en geweten probeer ik om de mensen om me heen te plezieren. Om samen de wereld toch een beetje mooier te maken. Nee, dat lukt me niet altijd. Maar mijn burgerlijke plicht roept me op het elke dag weer te proberen.
Mijn leventje is echt heel normaal. Gewoon burgerlijk dus. We gourmetten bijvoorbeeld altijd met Kerst. Andere mensen hoor ik complete maaltijden van vijf gangen op tafel zetten. Bewondering heb ik ervoor. Maar nu is het koken niet zo’n hele favoriete bezigheid van me en waarom moeilijk doen als het gemakkelijk kan? Alleen daarom al laat ik me ieder jaar meeslepen met de gourmet-wens. Want wie ben ik om hun en mijn plezier te bederven? Ik vind het best. Ik vind trouwens alles best zolang iedereen om me heen maar geniet. Ik geniet wel mee.
Maar van mensen die burgerlijk ongehoorzaam zijn kan ik heel dwars worden. Fietsers zonder licht of zij die geen hand uitsteken. Of mensen die met een mobieltje aan het oor chauffeuren. M’n haren gaan ervan overeind staan. Soms tel ik ze ’s morgens als ik naar mijn werk rij. Niet dat het wat uitmaakt, want als ik op het werk ben weet ik al niet meer hoeveel overtredingen ik heb geteld. Maar ik tel ze wel. Het gaat om het idee he? En weet je wat? Er zijn steeds meer burgerlijk ongehoorzame mensen. Foei toch…
Onlangs hoorde ik dat het toppunt van burgerlijkheid wel ‘het hebben van dezelfde fietsen’ is. Nou ja zeg! Dusss… Oké… Mijn man en ik hebben niet geheel toevallig ook dezelfde fietsen… Maar we vonden het wel grappig toen we ze kochten! Ach, om er nog maar een schepje bij bovenop te doen, wij hebben ook nog eens dezelfde jassen… We zijn niet zo ‘van het fietsen’ maar we voelen ons wel één als we op pad gaan. En we hebben er ook nog eens lol in dat we dezelfde jas hebben. En dan gaat onze hond in de burgerlijke fietskar met ons mee. Want je kunt van het beest niet verwachten dat hij alle afstanden maar kan mee rennen. Zo’n fietskar is echt geweldig! Maar hij is vast té burgerlijk voor woorden…

Oh jee, ik bedenk me net dat we een tuinkabouter hebben. Die hebben we Pim genoemd. Zo’n lelijke plasticdwerg met een vlindernetje. Ooit gekregen op een verjaardag en hij is alle keren met ons meeverhuisd. Samen met de betonnen kikker en gans. En we gingen jaren achter elkaar met de kinderen naar dezelfde camping. Natuurlijk mét de burgerlijke caravan. Ach, en met Koninginnedag vlaggen we. En we wonen al ons hele leven in het mooie Enschede. Want daar voelen we ons thuis… O sorry, heeft er daar iemand een emmer nodig?
Nou, het maakt me geen donder uit! Voor wie het vreselijk vindt; vind het maar vreselijk. Noem het burgerlijk. Ik ben ‘gewoon’ gewoon.
Pootjes in de klei en niet lullen maar poetsen. Ik geniet van mijn gezin en het thuis zijn. Dan kan ik me weer lekker inwikkelen in mijn eigen fleecedekentje op mijn eigen bank. Ik hou zelfs voldoende tijd over voor niet-burgerlijke dingen.
En, één ding is zeker, we hebben allemaal een burgerlijke staat.
Dus… wat kan mij het schelen…..
lang leve de Burgerlijkheid!
geplaatst op http://www.absolutelyenschede.nl/
donderdag 15 december 2011
Nostalgie
Deze week was ik zo slim om de sleutel in mijn auto te laten zitten en vervolgens de deur dicht te gooien. Excuus: het regende verschrikkelijk afschuwelijk vreselijk erg! Daardoor was ik meer bezig met mijn paraplu en alle tassen die ik had meegesleept, dan met de autosleutel.
Jaaa, ik wéét het. Dom, dom, dom...
Door deze ochtendmisser was ik ’s middags gedwongen het openbaar vervoer te gebruiken. Spannend! Want op dat gebied ben ik een leek maar de chauffeur wist gelukkig van de hoed en de (stoep)rand. Hij begon al gelijk goed met “heeft u geen OV-chipkaart?”. Toe maar, wrijf het er maar in. Ik had de bus al lang geleden vaarwel gezegd. Nee, zo'n kaart heb ik niet. “Nou, dat wordt een duur ritje mevrouw.” Fijn, dat kon er ook nog wel bij. Mevrouw... Make my day!
Tuurlijk zat ik ooit eerder in de bus. Maar dat is echt lang geleden. Vijfenveertig minuten naar de vele verschillende mensen kijken. Met de auto is het slechts een kwartier in één rechte lijn met knetterharde muziek en natuurlijk keihard meelallen.
Wegwezen. Karren met die hap. Mag ik rap betalen? Hoeveel? "Dat is dan twee euro twintig." En fijntjes legde de chauffeur me uit, terwijl hij professioneel het vervoersbewijs afscheurde en stempelde, dat dit bewijs geldig was tot aan het Centraal Station. Daar moest ik overstappen en (dus?) opnieuw een kaartje kopen voor twee euro twintig. Goed geregeld hoor dat openbare busvervoer! Voor dat geld koop ik twee liter benzine en kan ik op en neer naar mijn werk!
Oké, ik zal er niet over zeuren want mijn opties waren uiteindelijk beperkt.
Als een mak lammetje heb ik me weer laten vervoeren. Door wijken waar ik niet moest zijn. En verbaasd over de brutaliteit van sommige passagiers. Respect voor de buschauffeur!
Er was eigenlijk niet veel verschil met ‘vroeger’. De één babbelt wat met de ander. Weer een ander kijkt slechts zwijgend naar buiten. Die zijn wel het leukst om te bekijken. Hun ogen flitsen supersnel van links naar rechts. Ik vind dat leuk: mensen kijken. De lichaamstaal bestuderen. Kleertjes kijken. Van slons tot modepopje, alles komt voorbij.
En wat ik me nog het beste van alle ritjes kon herinneren was… die geur in de bus…
Een mengelmoes van rokerige kleren, hele slechte adem, natte hond en mandarijntjes.
Gelijk bij het instappen rook ik het ook nu weer.
Nostalgeur…
Gatverdamme!
Lang leve mijn welriekende 19 jaar oude gebakje.
Mèt reservesleutel...
vrijdag 9 december 2011
etenstijd!
Vorige week zag ik op tv een negenjarige opdonder een maaltijd bereiden. Een vis op de graat. Sausje. Asperges. Witlofjes. Wéét ik wat nog meer. In drie woorden: ge-wel-dig... Het water liep me in de mond. Verbazing alom. Negen jaar en op weg om een top chef-kok te worden.
Bij onze dochters, die de negenjarige leeftijd inmiddels lang achter zich gelaten hebben, ben ik klaarblijkelijk tekort geschoten. Verder dan een pizza, patat, een bak kant-en-klare lasagne of een gebakken ei komen ze niet. Ze overleven nog nèt het weekeind als we er niet zijn.
Ik kreeg medelijden met de meiden. En bovenal: twijfels aan mezelf. Wat doe ik nou fout?
En in de loop van de week begon het toch te jeuken. En eureka! Ineens wist ik het!
Het tv-kokkie-in-spe stond namelijk welgeteld een uur aan één bordje te werken. Een uur! Pareltjes zweet op het voorhoofd. Schaaltje zus, schaaltje zo. Culinair hoogst verantwoord.
Nee, dan die van ons. Die komen thuis, smijten de tas in de hoek en roepen "VOERRR!" of "HONGERRR!". Vanaf dat moment moet het eten binnen 15 minuten bij ons op tafel staan, anders grijpen ze naar andere maagvulling. En dan willen ze geen visje op de graat, maar een flinke pan vol met mama's machtige brouwsels. Ach ja,... bij ons gaat ook nog heel niet-culinair en ouderwets de pan op tafel.
Ik voorspel dat onze dochters geen echte keukenprinsesjes worden. Ze gaan liever sporten of zijn bij vrienden aan het 'chillen'. Ik zal ze toch eens wat vaker proberen te betrekken bij het wel en wee van een sudderend stukje koeienvlees. Maar of ik ze daar een uur lang mee kan boeien? Het kerstdiner is nog nét vol te houden...
Bij onze dochters, die de negenjarige leeftijd inmiddels lang achter zich gelaten hebben, ben ik klaarblijkelijk tekort geschoten. Verder dan een pizza, patat, een bak kant-en-klare lasagne of een gebakken ei komen ze niet. Ze overleven nog nèt het weekeind als we er niet zijn.
Ik kreeg medelijden met de meiden. En bovenal: twijfels aan mezelf. Wat doe ik nou fout?
En in de loop van de week begon het toch te jeuken. En eureka! Ineens wist ik het!
Het tv-kokkie-in-spe stond namelijk welgeteld een uur aan één bordje te werken. Een uur! Pareltjes zweet op het voorhoofd. Schaaltje zus, schaaltje zo. Culinair hoogst verantwoord.
Nee, dan die van ons. Die komen thuis, smijten de tas in de hoek en roepen "VOERRR!" of "HONGERRR!". Vanaf dat moment moet het eten binnen 15 minuten bij ons op tafel staan, anders grijpen ze naar andere maagvulling. En dan willen ze geen visje op de graat, maar een flinke pan vol met mama's machtige brouwsels. Ach ja,... bij ons gaat ook nog heel niet-culinair en ouderwets de pan op tafel.
Ik voorspel dat onze dochters geen echte keukenprinsesjes worden. Ze gaan liever sporten of zijn bij vrienden aan het 'chillen'. Ik zal ze toch eens wat vaker proberen te betrekken bij het wel en wee van een sudderend stukje koeienvlees. Maar of ik ze daar een uur lang mee kan boeien? Het kerstdiner is nog nét vol te houden...
maandag 7 november 2011
bloembollen
Gisteren was het Drie Koningen. En volgens een oud gezegde “maken of breken die drie koningen de brug”. Heb nooit goed de functie van die brug begrepen en me er ook geen voorstelling van kunnen maken, maar tot nu toe klopte het gezegde nog steeds!
Dussss... in dit jaar hebben ze de brug gebroken. Ze zeggen ook wel: Drie Koningen geen ijs: winter van de wijs. Nou, het regende 's nachts warm water. Her en der wel een klein graadje vorst, maar het mag geen winterse aanduiding meer hebben.
Voor alle anti-winter-mensen goed nieuws: de winter gaat kwakkelen.
Maar niet te hard juichen, want we krijgen ook nog Lichtmis. Dat is dus op 2 februari. Nog zo’n mijlpaal voor weerkundigen. Volgens de oude spreuken moet de zon die dag absoluut niet gaan schijnen. Daar schijnt een soort vloek op te liggen. Slecht voor de oogst en zo.
Het zal wel. Dit is eigenlijk allemaal nutteloze informatie. Tenzij je een klein beetje wilt weten wat er nog op je af gaat komen.
Hoe dan ook, binnenkort mogen de bollen de grond in.
Of hadden die er al in moeten zitten?
Sja, daarmee ben ik dan weer niet zo op de hoogte.
Ik hoop in ieder geval dat je binnenkort een schep de grond in krijgt…
En natuurlijk: dat de zon bij jou dit jaar altijd zal schijnen!
Dussss... in dit jaar hebben ze de brug gebroken. Ze zeggen ook wel: Drie Koningen geen ijs: winter van de wijs. Nou, het regende 's nachts warm water. Her en der wel een klein graadje vorst, maar het mag geen winterse aanduiding meer hebben.
Voor alle anti-winter-mensen goed nieuws: de winter gaat kwakkelen.
Maar niet te hard juichen, want we krijgen ook nog Lichtmis. Dat is dus op 2 februari. Nog zo’n mijlpaal voor weerkundigen. Volgens de oude spreuken moet de zon die dag absoluut niet gaan schijnen. Daar schijnt een soort vloek op te liggen. Slecht voor de oogst en zo.
Het zal wel. Dit is eigenlijk allemaal nutteloze informatie. Tenzij je een klein beetje wilt weten wat er nog op je af gaat komen.
Hoe dan ook, binnenkort mogen de bollen de grond in.
Of hadden die er al in moeten zitten?
Sja, daarmee ben ik dan weer niet zo op de hoogte.
Ik hoop in ieder geval dat je binnenkort een schep de grond in krijgt…
En natuurlijk: dat de zon bij jou dit jaar altijd zal schijnen!
Abonneren op:
Posts (Atom)